Pieter van den Hoogenband

over bijgeloof

Bijgeloof speelt een belangrijke rol in de sport. Denk aan Johan Cruijff die voor een wedstrijd zijn kauwgom op de helft van de tegenstander spuugde. Of Rafael Nadal die voor iedere service achtereenvolgens zijn broekje, shirt, neus, linker- en rechteroor moet aanraken. Hoe zit dat met de beste Nederlandse zwemmer allertijden? Pieter van den Hoogenband vertelt over zijn bijgeloof.

Pieter, we gaan het hebben over bijgeloof.
‘Dan heb je aan mij een hele slechte.’

Hoezo?
‘Ik heb geen bijgeloof, want dat is volgens mij een teken van zwakte. Tijdens mijn sportcarrière heb ik altijd gezorgd dat ik niet afhankelijk ben van dat soort rituelen om optimaal te kunnen presteren. Want wat nu als je bijvoorbeeld iedere keer een banaan moet eten voor een race en tijdens de Spelen zijn de bananen ineens op in het Olympisch dorp? Dan krijg je paniek. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor Michael Phelps die altijd muziek luisterde op zijn koptelefoon voor een wedstrijd. Zo’n ding kan zomaar in het water vallen en stuk gaan. En dan?’

Dus jij had geen enkele vorm van bijgeloof?
‘Nee. Geen gedoe met een vaste zwembroek die ik per se aan moest trekken voor een race. Ik pakte gewoon een nieuwe uit de kast en het maakte geen verschil. Natuurlijk had ik wel mijn vaste voorbereiding met een goede warming-up en voldoende eten, maar dat heeft niets met bijgeloof te maken, dat is gewoon gezond verstand.’

Hadden je concurrenten wel rituelen?
‘Zeker. Ik vond het ook altijd leuk om die in de war te schoppen. Als iemand bijvoorbeeld per se op een bepaalde plek wilde zitten in de kleedkamer, zorgde ik dat ik daar al ging zitten. Mijn grote rivaal Ian Thorpe had ook een ritueel: hij wilde altijd dat ik voorafgaand aan een wedstrijd zijn pak dichtritste. Ik heb weleens met de gedachte gespeeld om dan een stukje huid mee te nemen, maar sportief als ik ben heb ik dat toch maar niet gedaan, haha.’

Hoe groot is de factor geluk in het zwemmen?
‘Die is niet groot, maar je moet het wel serieus nemen. Geluk en pech zijn voor een belangrijk deel uit te sluiten door een perfecte voorbereiding. Als een grote kampioen iedere keer op een paar honderdste van een seconde wint, dan zeggen mensen al snel: die heeft altijd geluk. Dat klopt niet, hij is gewoon beter. Neem Rafael Nadal, die geeft nooit op en sleept er daardoor op het laatst vaak nog een overwinning uit. Dat heeft niks met geluk te maken.’

Maar Nadal is wel het typische voorbeeld van een bijgelovig iemand met veel rituelen…
‘Ja, dit voorbeeld haalt eigenlijk mijn hele visie onderuit, haha.’